
Jurisprudentie
BD2005
Datum uitspraak2008-06-06
Datum gepubliceerd2008-06-06
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers08/01527
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-06-06
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers08/01527
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bopz; afgewezen verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging; onjuiste maatstaf.
Conclusie anoniem
08/01527HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 13 mei 2008
Conclusie inzake:
Officier van Justitie te Rotterdam
tegen
[Verweerster]
In deze Bopz-zaak wordt geklaagd dat de rechtbank bij de beoordeling van het gevaar de verkeerde maatstaf (art. 20 in plaats van art. 2 Wet Bopz) heeft gebruikt.
1. Het procesverloop
1.1. De officier van justitie in het arrondissement te Rotterdam heeft op 28 december 2007 aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verweerster in cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven. Bij het verzoekschrift is een geneeskundige verklaring d.d. 21 december 2007 overgelegd.
1.2. Op 14 januari 2008 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld, waarbij aanwezig waren betrokkene en haar advocaat, de waarnemend sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, de ex-echtgenoot en twee dochters van betrokkene. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank het verzoek afgewezen met de volgende motivering:
"Tijdens het verhoor is weliswaar komen vast te staan dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, maar niet dat zij daardoor een onmiddellijk dreigend gevaar in de zin van art. 20 van de wet BOPZ oplevert.
Derhalve zal het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene worden afgewezen.
(...)
De beslissing
Wijst af het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (...)."
1.3. Namens de officier van justitie is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Namens betrokkene is verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Onderdeel 2.1 klaagt dat de rechtbank met het oordeel dat niet is komen vaststaan dat betrokkene door haar geestelijke stoornis een onmiddellijk dreigend gevaar in de zin van art. 20 Wet Bopz oplevert, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting althans dat het oordeel onbegrijpelijk is en/of onvoldoende gemotiveerd. De rechtsklacht is uitgewerkt in onderdeel 2.2, waarin wordt betoogd dat het verzoek op de voet van art. 2 en niet van art. 20 Wet Bopz beoordeeld had moeten worden. De motiveringsklacht is uitgewerkt in onderdeel 2.3, dat erop wijst dat het verzoek van de officier van justitie onmiskenbaar strekte tot het verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
2.2. Het verzoek van de officier van justitie strekte tot het verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz. Dit is in de bestreden beschikking ook vermeld onder het kopje "verloop van de procedure". Deze constatering is allereerst van belang voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Art. 29 lid 5 Wet Bopz bepaalt dat tegen de beschikking op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling geen gewoon rechtsmiddel openstaat. Omdat zodanig verzoek hier niet is ingediend, staat deze bepaling niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het huidige cassatieberoep. Voor zover de rechtbank in het slot van haar overweging en in het dictum ervan is uitgegaan dat het verzoek strekte tot het verkrijgen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, is dit uitgangspunt in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk.
2.3. De rechtbank heeft de toewijsbaarheid van het verzoek van de officier van justitie beoordeeld alsof het ging om een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz). Hieruit volgt dat de rechtsklacht gegrond is: de rechtbank heeft de verkeerde maatstaf gehanteerd(1). Voor een inbewaringstelling is (onder meer) vereist dat het gevaar zo onmiddellijk dreigend is dat een procedure tot afgifte van een voorlopige machtiging of observatiemachtiging niet kan worden afgewacht (art. 20 Wet Bopz). Voor een voorlopige machtiging is (onder meer) vereist dat de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken (art. 2 lid 2 Wet Bopz). Dit gevaar behoeft niet te voldoen aan de maatstaf van art. 20.
2.4. Onderdeel 2.4 gaat uit van een alternatieve lezing van de bestreden beschikking: indien het oordeel van de rechtbank zo moet worden begrepen dat in dit geval geen sprake is van gevaar in de zin van art. 2 Wet Bopz, acht het middel dit oordeel om diverse redenen onbegrijpelijk.
2.5. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Uit niets blijkt dat de rechtbank wel of niet `gevaar' in de zin van art. 2 Wet Bopz aanwezig heeft geacht. Om de rechter die na verwijzing opnieuw over het verzoek zal moeten oordelen niet voor de voeten te lopen, onthoud ik mij thans van een bespreking van hetgeen namens de officier van justitie, respectievelijk namens betrokkene, naar voren is gebracht over de vraag of de voorhanden gedingstukken het oordeel wettigen dat hier sprake is van gevaar in de zin van art. 2 Wet Bopz.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Rotterdam.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Zie HR 27 april 2007, BJ 2007, 17.
Uitspraak
6 juni 2008
Eerste Kamer
Nr. 08/01527
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. D. Stoutjesdijk,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de officier van justitie en betrokkene.
1. Het geding in feitelijke instantie
De officier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft, bij een op 28 december 2007 ter griffie van de rechtbank aldaar ingekomen verzoekschrift, een voorlopige machtiging verzocht tot het doen opnemen en verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.
Ter zitting van de rechtbank van 14 januari 2008 zijn betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, de waarnemend sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, de ex-echtgenoot en twee dochters van betrokkene gehoord.
Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank het verzoek van de officier van justitie afgewezen.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de officier van justitie beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Betrokkene heeft bij verweerschrift verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Rotterdam.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De rechtbank heeft het inleidende verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen opnemen en verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis afgewezen op de grond dat tijdens het verhoor niet is komen vast te staan dat betrokkene door haar geestelijke stoornis een "onmiddellijk dreigend gevaar" in de zin van art. 20 Wet Bopz oplevert.
3.2 Het middel klaagt onder 2.1 en 2.2 terecht dat de rechtbank heeft miskend dat het inleidende verzoek - nu dit strekt tot het verlenen van een voorlopige machtiging - diende te worden beoordeeld op de voet van art. 2 Wet Bopz, dat onder meer bepaalt dat een voorlopige machtiging slechts kan worden verleend indien naar het oordeel van de rechter de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken.
3.3 Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en het middel voor het overige geen behandeling behoeft. Na verwijzing zal moeten worden onderzocht of het inleidende verzoek alsnog kan worden toegewezen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 14 januari 2008;
verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 6 juni 2008.